Meer
Publicatiedatum: 24-10-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Paragraaf C - Onderhoud kapitaalgoederen

Paragraaf C | Onderhoud kapitaalgoederen

In deze paragraaf wordt voor de kapitaalgoederen wegen, riolering, water, groen, gebouwen, openbare verlichting en speelgelegenheden achtereenvolgens aandacht geschonken aan:

  • het beleidskader
  • het beheer
  • actuele ontwikkelingen
  • kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren
  • de uit het beleidskader voortvloeiende financiële consequenties

 

C.1  Wegen


1.1 Het beleidskader

De gemeente heeft de plicht een openbare weg te onderhouden (art. 15 Wegenwet), met uitzondering van rijkswegen en provinciale wegen. Verder kan de gemeente, als wegbeheerder, aansprakelijk worden gesteld op basis van het Burgerlijk Wetboek. Er zijn daarvoor twee mogelijke vormen: risicoaansprakelijkheid (art. 6:174 BW) en schuldaansprakelijkheid (art. 6:162 BW). Bij schuldaansprakelijkheid moet het slachtoffer bewijzen dat de wegbeheerder een fout heeft gemaakt. Er moet sprake zijn van een gebrek aan de weg. Bij risicoaansprakelijkheid hoeft dit bewijs niet te worden geleverd.

Vanwege zowel de onderhoudsplicht als de mogelijke aansprakelijkheidstelling is het voor de gemeente van belang haar wegen goed te onderhouden. Leidraad voor onderhoud wegen is de systematiek voor rationeel wegbeheer (publicatie 147) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Dit is het nationaal kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Als de gemeente werkt volgens deze richtlijnen, kan zij aantonen dat wegen naar behoren wordt onderhouden.

In 2017 is het Beleidsplan Wegen vastgesteld, waarin wet- en regelgeving, lokale ambities en dergelijke zijn vertaald in kaders. Zo is er onder andere vastgesteld dat Doesburg werkt met beeldkwaliteiten, conform de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (NRK).


1.2 Het beheer

In 2017 is het beheerplan Wegen vastgesteld. In dit beheerplan wordt de (gewenste) werkwijze beschreven ten aanzien van beheer en onderhoud. Het wegenareaal wordt bijgehouden in een geautomatiseerd (beheer)systeem. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen zaken als het materiaal, de functie en de (beeld)kwaliteit. Door middel van een inspectie wordt frequent de huidige staat van het areaal in beeld gebracht. Op basis van een maatregelpakket wordt een planning voor de korte termijn door de beheersoftware gegeneerd; met een maatregeltoets worden de feitelijke werkzaamheden vorm gegeven in een onderhoudsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar groot onderhoud en klein onderhoud.

Groot onderhoud betreft voorziene werkzaamheden, voorvloeiend uit de inspectie. Bij klein onderhoud is er een budget van een bepaalde omvang vastgesteld. Dit omdat de ervaring leert dat een beperkt deel van de werkzaamheden zich moeilijk laten voorspellen. Daarnaast wordt gekeken of werkzaamheden integraal opgepakt kunnen worden. Dit wil zeggen dat samen met andere producten (bijvoorbeeld riolering) projecten worden gevormd of dat ze met andere voorgenomen projecten kunnen meeliften.

In 2019 moet gewerkt gaan worden aan een budget voor de lange termijn, zodat in de begroting rekening gehouden kan worden met toekomstige pieken. Voor dit budget moeten voor de beheersoftware nog de onderhoudscycli met de bijbehorende maatregel en bedragen worden geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de rehabilitaties. Dit betreft investeringen voor het in z’n geheel vervangeng van een weg, inclusief de fundering.

1.3 Actuele ontwikkelingen

Bij het beleidsplan en het beheerplan is vastgesteld dat de kwaliteit van de beheergegevens moet worden verbeterd. In 2019 zal hieraan verder worden gewerkt. Enerzijds betreft dit uitdetaillering areaalinformatie, anderzijds betreft dit onderhoudscycli en rehabilitaties. Een eerste, theoretische versie van het rehabilitatieplan voor wegen is in 2019 opgeleverd. Op basis hiervan wordt vanaf 2020 een structurele kapitaallast gereserveerd voor rehabilitaties. In 2020 zal een schouw van het wegenareaal uitgevoerd worden, waarmee tot een realistisch plan van rehabilitaties van de wegen gekomen kan worden. Verder zal er een actuele wegenlegger worden opgeleverd, welke de gemeente moet hebben conform art. 27 Wegenwet. In het kader van duurzaamheid zal er gekeken moeten worden naar energie- en materiaalgebruik. Voor wegen zou in het kader hiervan gekeken kunnen worden of asfalt met een bepaalde mate van wegdekreflectie toegepast kan worden, bijvoorbeeld op kruisingen; dit ter vervanging van openbare verlichting.


1.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

De omvang van het gemeentelijke wegennet bedraagt ongeveer 351.000 m2 verharding. Hiervan is ca. 134.000 m2 asfalt (hoofdzakelijk rijwegen en fietspaden) en ca. 217.000 m2 elementenverharding (hoofdzakelijk woonstraten en voet- en fietspaden).

 

C.2  Riolering


2.1 Het beleidskader

De Wet Milieubeheer biedt het wettelijke kader voor de gemeentelijke rioleringstaak. Hierin wordt de gemeente verplicht een plan op te stellen waarin wordt aangegeven op welke wijze de gemeente haar watertaken wil uitvoering en bekostigen. Daarnaast zijn in het door de gemeenteraad vastgestelde Watertakenplan Olburgen 2018-2022 (WTPO) een aantal (nieuwe) watertaken en doelen vastgelegd. Dit watertakenplan is samen met de gemeenten Rheden, Bronckhorst en het Waterschap Rijn en IJssel opgesteld. Er is een gezamenlijke visie opgesteld in dit plan voor de riolering en zuivering. In het WTPO is het beleid en de (investerings)planning opgenomen voor de periode 2018 t/m 2022.

De belangrijkste doelen zijn:

  • Een effectieve en efficiënte inzameling, transporteren van afval-hemel en grondwater voor een bijdrage aan een goede volksgezondheid.
  • Een effectieve en efficiënte (afval)waterketen door samenwerken met (buur)gemeenten, waterschap en andere partijen.
  • Het leveren van een bijdrage aan een meer circulaire economie door samen met bedrijven en andere partners te werken aan het terugwinnen van energie en grondstoffen uit afvalwater.
  • Het voorkomen van wateroverlast;
  • Het beperken van nadelige gevolgen voor het milieu;
  • Een goede dienstverlening aan burgers en bedrijven op het gebied van water en riolering.

Het beleid is gericht op:

  • zo min mogelijk maatschappelijke kosten voor burgers en bedrijven, ofwel doelmatigheid;
  • zo min mogelijk overlast voor de omgeving;
  • waar mogelijk toepassen van duurzame oplossingen en technieken.


2.2 Het beheer

Het beheer en onderhoud zijn afgestemd op genoemde doelen die in het WTPO zijn opgenomen en vinden met behulp van een geautomatiseerd rioolbeheersysteem plaats. Het dagelijkse beheer en onderhoud van de rioolgemalen en het gangbaar houden van het rioleringssysteem door middel van reiniging en inspectie is daarmee een belangrijk element.

Daarnaast is een belangrijk hulpmiddel het regionaal meetsysteem. Hierin werken negen gemeenten (Bronckhorst, Lochem, Montferland, Zutphen, Oude IJsselstreek, Oost Gelre, Aalten, Doesburg en Arnhem) samen met Waterschap Rijn en IJssel. Er wordt gemeten maar ook geanalyseerd waardoor meer/beter inzicht wordt verkregen in het functioneren van het rioleringsstelsel.

Samenwerken is belangrijk, (afval)water houdt zich niet aan gemeentegrenzen. Het regionaal meetsysteem past naadloos in de gemeentelijke opgave die in het bestuursakkoord water (BAW 2011) is opgenomen. Hierin is vastgelegd dat de meerkosten van het product riolering minder mogen stijgen (€380 miljoen in 2020 t.o.v. 2010). De drie K’s (Kosten,Kwaliteit en Kwetsbaarheid) zijn daarbij leidend. Steekwoorden zijn daarbij: kennisuitwisseling, toekomstbestendigheid, klimaatontwikkelingen. Aspecten waar gemeenten en waterschap mee worden geconfronteerd. Het regionaal meetsysteem helpt ons daarbij met behoud van de eigen autonomie.

Ons eigen RTC (Real Time Control), maakt deel uit van het regionale meetsysteem. Met het RTC kan het afvalwater bij hevige regenval worden gestuurd. Dit vindt plaats door middel van drie beweegbare schuiven waardoor het rioolstelsel in verschillende compartimenten worden verdeeld. Hiermee wordt optimaal gebruikt gemaakt van de berging van het rioolstelsel en worden water op straatsituaties en het aantal rioolwater-overstorten (op het oppervlaktewater bij hevige regenval) beperkt.

De rioolgemalen Molengaarde en Broekhuizen hadden een leeftijd bereikt dat renovatie noodzakelijk was. Beide rioolgemalen zijn recent gerenoveerd.


2.3 Actuele ontwikkelingen

In 2011 is het bestuursakkoord Water (BAW) ondertekend. Een belangrijk element van het akkoord is het intensiveren van de samenwerken binnen de waterketen. De waterketen betreft de infrastructuur voor het winnen, de productie en de distributie van drinkwater en vervolgens het transport, de zuivering en de lozing van gezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de verschillende onderdelen (waterwinning, transport en zuivering rioolwater en het oppervlaktewater) beter op elkaar worden afgestemd en meer gaan samenwerken. Beter samenwerken in de waterketen moet tevens leiden tot lagere kosten. De doelstelling is drieledig:

  • het realiseren van een landelijke kostenbesparing van structureel in 2020 van 380 miljoen op de jaarlijkse kosten;
  • het verminderen van de kwetsbaarheid;
  • het vergroten van de kwaliteit van dienstverlening, beleidskeuzes en innovatievermogen

Doesburg maakt deel uit van het in 2014 opgerichte AWT Olburgen (Afvalwaterteam). In het AWTO werken de gemeenten Rheden, Bronckhorst en Doesburg gezamenlijk met het waterschap Rijn en IJssel aan de doelstelling van het BAW. Daarnaast werken wij in dezelfde samenstelling in de OAS Olburgen (Optimalisatie Afvalwater Systeem). Omdat problematiek breder is dat alleen afvalwater is recent de naam gewijzigd in Waterteam Olburgen (WTO).

Samen met onze partners van het Waterteam Olburgen geven we vorm aan de intenties van het BAW en de opgestelde visie van het afvalwaterteam Olburgen. Het WatertakenPlan Olburgen (WTPO) is in februari 2018 vastgesteld door de gemeenteraad.

Doesburg heeft in 2016 en in de zomer van 2018 hinder gehad van Wateroverlast door hevige regenval. De klachten zijn geïnventariseerd en er hebben een aantal bewonersavonden plaatsgevonden om met bewoners te praten over de situatie bij hun in de straat. Er heeft een quick-scan plaats gevonden om te onderzoeken of er op korte termijn mogelijkheden zijn om de wateroverlast in de toekomst te verminderen. Als vervolg op de quick-scan is er in het eerste kwartaal van 2018 een hemelwaterstructuurplan (HWSP) opgesteld voor de oude binnenstad. In het HWSP is het stelsel hydraulisch doorgerekend en zijn een aantal concrete maatregelen aangegeven om de wateroverlast in de binnenstad te beperken.

In 2018 is gestart met de uitvoering van maatregelen die die wateroverlast moet beperken. Gestart is met het afkoppelen van het regenwater in de Meipoortwal, vervangen van het riool en aanleggen van een regenwaterriool in de Windmolenstraat. In voorbereiding zijn maatregelen in de Hogestraat, Koepoortstraat, Bergstraat, een deel van de Meipoortstraat en de Gasthuisstraat.

In het kernwinkelgebied (Kerkstraat, Ooipoortstraat en Meipoortstraat) zullen - gelijktijdig met de revitalisatie van dit gebied - maatregelen worden uitgevoerd in de vorm van het afkoppelen van regenwater.


2.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

De kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren met betrekking tot riolering zijn verwerkt in het WTPO 2018-2022.

 

C.3  Water


3.1 Het beleidskader

Uitgangspunt is het streven naar een betrouwbaar en duurzaam watersysteem. Met name ruimte voor water in relatie tot de ruimtelijke ordening vraagt nadere aandacht. Hiervoor is in 2003 de watertoets in het leven geroepen. Het is een wettelijke verplichting bij bestemmingsplan procedures. Het wettelijke kader is vastgelegd in het besluit ruimtelijke ordening (BRO) van 2008. De watertoets is belangrijk in het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Met de komst van de waterwet en het daarmee wegvallen van verschillende vergunningen treedt een belangrijke wijziging op in de samenwerkingsrelatie tussen de gemeente en de waterbeheerder (Rijkswaterstaat en/of waterschap). Deze wijziging vraagt een andere manier van (samen)werken. Samenwerken op basis van afspraken in plaats van op basis van vergunningvoorschriften.

Het verbeteren van de waterkwaliteit en het begrip “stedelijke wateropgaaf” zijn zaken waarmee provincie en waterschap nadrukkelijk aandacht vragen voor het op orde brengen van het watersysteem. Aandachtspunten zijn hierbij: extra waterbergend vermogen (ruimte voor water), op een andere wijze omgaan met regenwater, de capaciteit van het rioleringsstelsel en de veiligheid van onze burgers.

Waterbeheer zal daarmee in de toekomst steeds meer een gezamenlijk proces van alle overheden worden. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zullen steeds meer samenwerking (moeten) zoeken. Naast alle gestelde doelen en nieuwe wetgeving springt het samenwerken wel het meest in het oog. Een sectorale benadering zoals in het verleden plaatsvond, verdwijnt. Een integrale benadering komt daar voor in de plaats. Water houdt zich immers niet aan gemeente- en nationale grenzen.

Sinds 2015 moet het oppervlaktewater aan een aantal ecologische- en waterkwaliteitsnormen voldoen. Het betreft de zogenaamde Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Hoofddoel van de KRW is het beschermen van grond- en oppervlaktewater. De bescherming van waterbronnen is een uitgangspunt voor de KRW. Voor het bereiken van deze doelen is een organisatie opgezet afgestemd op de stroomgebieden. Oost-Gelderland valt daarbij onder het stroomgebied Rijn-Oost wat loopt van Zuid Drenthe tot Arnhem. Ook Niedersachsen en Nordrhein-Westfalen behoren tot het stroomgebied Rijn-Oost. Voor Doesburg zijn geen fysieke maatregelen nodig voor de KRW, omdat de vuilemissie vanuit de riolering al is aangepakt (basisinspanning) en er geen specifieke waterkwaliteitsdoelen gelden. Bronnen die nog wel aandacht vragen (m.b.t. de KRW) zijn het beleid voor bouwmaterialen, de wijze van onkruidbestrijding en het opsporen van foutieve aansluitingen in de gescheiden stelsels.


3.2 Het beheer

Het oppervlaktewater in de binnenstad (stadsgrachten), de Molenvelden en De Ooi is al geruime tijd in beheer bij het Waterschap Rijn en IJssel. Al deze wateren zijn in de periode 2005-2008 gebaggerd. Onder de Koepoortdijk is in 2010 een nieuwe (grotere) duiker aangebracht. De oude duiker was voor een deel ingestort en functioneerde niet meer. Om de doorstroming te verbeteren en kroosvorming terug te dringen heeft de beheerder, Waterschap Rijn en IJssel, in 2012 een aantal maatregelen getroffen. Onder de B. Ubbinkweg is een nieuwe duiker aangelegd en is een verdeelwerk gemaakt die voor een betere waterverdeling van de stadsgrachten zorgt. In het Noordelijk Molenveld zijn op enkele locaties zogenaamde kroosslurpers aangebracht. De waterpartijen in Beinum zijn eveneens in beheer bij het Waterschap Rijn en IJssel.


3.3 Actuele ontwikkelingen

Daar waar het watersysteem deel uit maakt van (verbeterd) gescheiden rioolstelsel vragen foutieve aansluitingen een speciale aandacht. Het betreft hier het stelsel in Beinum en Campstede. Foutieve aansluiting zijn vuilwaterhuisaansluitleidingen aangesloten op het regenwatersysteem dan wel regenwaterleidingen die zijn aangesloten op het vuilwatersysteem. De eerste kunnen de waterkwaliteit in negatieve zin aantasten. De laatste kunnen zorgen voor een capaciteitsprobleem doordat te veel regenwater in het vuilwatersysteem van de riolering terecht komt.

Door het herstellen van de foute aansluiting komt er meer regenwater in de vijvers. Meer regenwater in de vijvers kan de waterkwaliteit en de doorstroming verbeteren. Het onderzoek naar de foutieve aansluitingen voor Molengaarde en Leigraafseweg (1e fase) is afgerond en de desbetreffende aansluiting zijn hersteld. Momenteel is het onderzoek naar foutieve aansluitingen opgeschaald naar het overige deel van Beinum. Dit als deelproject van het project Optimalisatie watersysteem Beinum.

Om de doorstroming in het watersysteem (stadsgrachten) van de oude stad te verbeteren zijn recent 5 duikers vervangen door grotere en beluchte exemplaren. Hiermee is een belangrijke stap gezet voor een betere doorstroming van het watersysteem.

Samen met het Waterschap Rijn en IJssel wordt er gewerkt aan een plan voor het optimaliseren van het watersysteem in Beinum (Naar buiten in Beinum). De vijvers in Beinum zijn meer dan 40 jaar oud en zijn aan een renovatie toe. Daarbij staat de huidige constructie ook ter discussie. Ook de doorstroming van het watersysteem moet worden aangepakt. Het project “Naar buiten in Beinum” beoogt naast het verbeteren van het watersysteem ook het versterken van de groenstructuur en leefomgeving.

In verband hiermee zal het onderzoek naar foutieve aansluitingen verder worden opgeschaald. De renovatie moet leiden tot een verbetering van de  waterkwaliteit en minder kroosvorming. Uitgangspunt voor de renovatie is een toekomstbestendig en duurzaam watersysteem wat de leefomgeving van onze burgers ten goede komt.

Deltaprogramma: Het deltaprogramma is een nationaal programma. Het doel van het Deltaprogramma is Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen, zorgen voor voldoende zoetwater en de inrichting van het land klimaatbestendig maken. Rijksoverheid, provincies, waterschappen en gemeenten werken hiervoor samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Dat is de kern van het deltaprogramma. Er is een deltacommissie en een deltacommissaris die verantwoordelijk is voor het opstellen en uitvoeren van het deltaprogramma. Ieder jaar op Prinsjesdag verschijnt een nieuwe editie van het Deltaprogramma, die vooruitkijkt naar volgende jaar.

In het deltaprogramma wordt o.a. een nieuwe normering voor waterveiligheid ontwikkeld en uitgewerkt. De huidige overschrijdingskansnorm voor dijken wordt vervangen door een overstromingskansnorm op basis van een risicobenadering, waarbij de kans op een overstroming en het gevolg van een overstroming beide in beeld komen. Voor de toekomst kan dat betekenen dat dijkverhoging achterwege blijft maar dat er ruimtelijke maatregelen moeten worden genomen of dat de maatregelen rond een overstroming worden verbeterd waardoor de gevolgschade kan worden teruggebracht.

De provincie Gelderland heeft samen met de regio (IJsselgemeenten en overige partners) het rapport Kansrijke strategieën Waal, Merwede en IJssel Zuid opgesteld. De provincie is de trekker van het zogenaamde regioproces. Samen met de regio, de gemeenten die langs de IJssel liggen, waterschappen, natuurbeschermingsorganisaties, de stedendriehoek en de veiligheidsregio zijn verschillende strategieën bekeken voor het deltaprogramma in onze regio (IJssel Zuid loopt van Arnhem tot Deventer).


3.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

Onze 1.286 ha. grote gemeente bestaat voor ongeveer 107 ha. (8,3%) uit oppervlaktewater. Hiervan bestaat ongeveer 87% uit rivieren en kanalen en is in beheer bij derden (Rijkswaterstaat en Waterschap Rijn IJssel). De overige 13% bestaat uit stedelijk water (stadsgrachten en dergelijke) dat in beheer is bij het Waterschap Rijn en IJssel.

De zorg voor kwaliteit van het oppervlaktewater ligt primair bij de beheerder, het Waterschap Rijn en IJssel. Ook de gemeente Doesburg speelt hier echter een rol in. Het betreft dan aspecten op het gebied van ruimtelijke ordening en doorstroming.

 

C.4 Groen


4.1 Het beleidskader

Het Groenstructuurplan 2013 en het Bomenbeleidsplan 2014 vormen het gemeentelijk beleidskader ten aanzien van het stedelijk groen en geven richting aan het na te streven eindbeeld. De gemeente Doesburg wenst via het Groenstructuurplan en Bomenbeleidsplan haar beleid aangaande het stedelijk groen nader te structureren in met name te ontwikkelen bebouwingslocaties. Beide beleidsplannen dienen een stelselmatige inrichting en doelgericht beheer van de Openbare Ruimte.


4.2 Het beheer

De visie voor het beheer van het openbaar groen moet zijn vastgelegd in een beleidsdocument waarin de structuur en kwaliteit zijn omschreven en een beheerplan waarin de uitvoering en de kosten worden verantwoord.  Een hulpmiddel hierbij is het gemeentelijke groenbeheersysteem. Het groenbeheerplan is in 2013 opgesteld en dient in 2019 geactualiseerd te worden.

Ten behoeve van de uitvoering ”buiten“ zijn onderhoudsbestekken gemaakt die uitgaan van het beheer op “beeldkwaliteit”. Ingaande 1 januari 2016 is het beheer van het openbaar groen ondergebracht bij Circulus Berkel en maakt dit werk onderdeel uit van de overeenkomst die de gemeente heeft met Circulus Berkel. Het toezicht op de uitvoering van het werk en de kwaliteit hiervan is belegd bij het team Stadsbeheer. Uitvoeringsprogramma?s van het onderhoud spelen een belangrijke rol in het beheer van de openbare ruimte. De hoofdgroepen in het beheer kunnen als volgt worden omschreven:

  • groenbeheer door de gemeente en Circulus Berkel door middel van een samenwerkingsovereenkomst
  • beheer van gazons en bermen door Circulus Berkel door middel van een samenwerkingsovereenkomst
  • beheer van sportvelden door aannemer door middel van uitbesteding
  • boombeheer door gemeente en aannemer door middel van uitbesteding


4.3 Actuele ontwikkelingen

Via een samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Doesburg en Circulus Berkel wordt momenteel het openbaar groen binnen de gemeente beheerd. De huidige populatie SW-medewerkers blijven werkzaam in Doesburg en er wordt fors uitvoering gegeven aan het begrip Social Return.

Het voorliggende beheerplan voorziet in een kwaliteitsslag in het centrum en de centra in de wijken. Hiervoor is in 2018 begonnen met het opstellen van een groenrenovatieplan voor alle wijken in de gemeente Doesburg met een extra accent voor de wijk Beinum door middel van het project Naar Buiten in Beinum. Vervolgens kan dit plan gefaseerd uitgevoerd gaan worden waarbij rekening gehouden wordt met het omvormen van groen, waar dit gewenst is, naar gazon dan wel vaste planten. De weg zoals deze nu is ingezet, wordt in 2020 doorgezet. 

Bomen vormen een belangrijk onderdeel van onze groenstructuur. De gemeente heeft voor dit onderdeel een wettelijke zorgplicht. De achterstand in de onderhoudstoestand is in 2018 verder aangepakt door boomonderhoud in de wijken Molenveld Noord en Zuid. De inhaalslag wordt gecontinueerd om het bomenbestand naar het gewenste en vereiste kwaliteitsniveau te brengen.

Er wordt een inhaalslag gemaakt om het beheerplan te actualiseren om zodoende snel in te kunnen spelen op wensen die betrekking hebben op de beheermethodiek en het verder optimaliseren van de kosten. Wel is een groot gedeelte van de boomsoort essen aangetast door de essentaksterfte. Dat heeft vooral grote consequenties voor de essenlanen in het buitengebied. Momenteel is geen budget beschikbaar om deze lanen te vervangen. Daar waar nodig snoeien we deze lanen extra in verband met dood hout.

4.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

Het openbaar groen omvat ca. 55 hectare. Hiervan hoort ongeveer 2 hectare bij de voetbalvelden aan de Oranjesingel waarvan 1 natuurgrasveld wordt onderhouden door Gemeente Doesburg en 1 kunstgrasveld wordt onderhouden door Sportclub Doesburg. Daarnaast wordt momenteel 2 hectare omgevormd naar tennisbanen. Effectief heeft de Gemeente Doesburg ongeveer 51 hectare openbaar groen in beheer. Het totale bomenbestand dat de gemeente in beheer heeft, beslaat afgerond 5.400 stuks.

 

C.5 Gebouwen


5.1  Schoolgebouwen

5.1.1. Het beleidskader

De verordening voorziening onderwijshuisvesting vormt het beleidskader voor het beheer van schoolgebouwen.


5.1.2 Het beheer

De schoolbesturen zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de uitvoering van het binnen- en buitenonderhoud aan de basisscholen. Zij ontvangen hiervoor rechtstreek een rijksvergoeding.


5.1.3 Actuele ontwikkelingen

De schoolgebouw aan de Begoniastraat (locatie Horizon Ooi) heeft geen onderwijsbestemming meer en wordt weer in (juridisch) eigendom overgedragen aan de gemeente. Voor dit pand wordt gekeken welke bestemming het meest passend is.


5.1.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

De gemeentelijk schoolgebouwen zijn:

  • Wetelaar
  • Horizon Stad
  • Anne Frankschool


5.2  Overige gemeentelijke gebouwen

5.2.1 Het beleidskader

Het meerjarig onderhoudsplan (MJOP) gemeentelijke gebouwen vormt het beleidskader voor het beheer van het gemeentelijk vastgoed. In het onderhoudsbeheerplan wordt hoofdzakelijk uitgegaan van een kwaliteitsniveau 2. Dit kwaliteitsniveau staat gelijk aan goed onderhoud. Uitzondering hierop zijn de sportaccommodaties; hiervoor geldt momenteel kwaliteitsniveau 3. Dit is redelijk onderhoud, waarbij het gebouw nog steeds veilig en gezond gebruikt kan worden. Het MJOP is in 2016 vastgesteld. Het huidige onderhoudsplan dateert uit 2017. Het MJOP wordt jaarlijks bijgewerkt en om de 4 jaar geactualiseerd. Hierbij worden ook de bijbehorende dotaties aan de voorziening voor groot onderhoud door de gemeenteraad vastgesteld.


5.2.2 Het beheer

Voor het beheer en technisch onderhoud van de gemeentelijke gebouwen wordt gebruik gemaakt van het eerder genoemde MJOP.  Dit is ondergebracht in een geautomatiseerd beheersysteem. Dat dynamisch beheerprogramma geeft voor elk object afzonderlijk de beheersmatige informatie weer. Een MJOP is in de basis ook altijd een dynamisch document, dat jaarlijks op basis van gerealiseerd onderhoud wordt bijgesteld.


5.2.3 Actuele ontwikkelingen

Voor een structurele wijzen van het geven van uitvoering aan beheer en onderhoud van het gemeentelijke vastgoed is een meerjarig onderhoudsplan noodzakelijk. Eind 2018, begin 2019 zijn er per object nieuwe onderhoudsplannen gemaakt. Deze onderhoudsplannen zijn opgesteld met als doel een realistisch beeld te krijgen van de onderhoudstoestand in relatie tot de beschikbare budgetten. Eind 2019 worden de onderhoudsplannen geactualiseerd met als doel om in 2020 een nieuw MJOP vast te stellen met een looptijd van 4 jaar.

Er loopt een onderzoek naar de herstructurering van de binnen sportaccommodaties. Gevolg is dat er een keuze is gemaakt in de wijze van beheer van de huidige accommodaties. De sportaccommodaties worden om die reden beheerd op kwaliteitsniveau 3.

Het gebouw van het stads- en streekarchief Nieuwstraat 2-4 wordt in 2020 gerestaureerd, achterstallig onderhoud wordt hiermee weggewerkt. Hiervoor is provinciale subsidie beschikbaar gesteld.

Het stadhuis, met name het monumentale gedeelte, wordt vanaf 2020 gerestaureerd en verduurzaamd. De vochtproblematiek aan de buiten muren wordt hiermee opgelost. Ook hiervoor loopt een subsidieaanvraag bij de provincie. Voor het in stand houden van de rijksmonumenten in eigendom van de gemeente is een rijkssubsidie verkregen.

In het kader van duurzaamheid wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed. Als gevolg van het accommodatiebeleid 2016 wordt er gewerkt aan een visie op het gemeentelijk vastgoed., met daarin opgenomen strategische keuzes voor het beheer, onderhoud en gebruik van het gemeentelijk vastgoed.


5.2.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

Gebouw

Adres

Bouwjaar

b.v.o . in m²

Kwaliteitniveau

Stadhuis

Philippus Gastelaarsstraat 2

1475

2950

2

Sporthal 

Breedestraat 39

1980

2700

3

Gymzaal

Wilgenstraat 2

1973

  714

3

Gymzaal

Armgardstraat 22a

1976

  488

3

Mauritskazerne

Halve Maanweg 3

1994

  743

2

Stads- en streekarchief

Nieuwstraat 4

1907

1422

2

verdieping

Nieuwstraat 2

1907

 834

2

Jongerencentrum

De Linie 2

2006

 796

2

De Harmonie

Burgemeester Nahuyssingel 2a

1970

 306

3

Martinitoren

Markt 2

1960

97

2

Poortgebouw

Meipoortwal 3

1815

49

2

Baarhuisje

Meipoortwal 3

1873

20

2

Grafmonument

Meipoortwal 3

nb.

 

3

Stadswerf

Parallelweg Den Helder 2

2017

 

2

Gebouw De Linie (huur)

De Linie 4 (incl. bibliotheek)

2006

 

2

 

 

C. 6  Openbare verlichting


6.1 Het beleidskader

De openbare verlichting (OV) draagt bij aan een sociaal veilige, verkeersveilige en leefbare situatie tijdens de duisternis (circa 4.100 uur per jaar = 47% van het jaar). Medio 2015 is het beleidsplan openbare verlichting vastgesteld en eind 2016 het beheerplan. In het vastgestelde beleid is onder andere besloten dat er zal worden gewerkt met beeldkwaliteiten, dat er speciale verlichting in de binnenstad wordt aangebracht en dat er zal worden gewerkt aan energiebesparing. In het beheerplan is beschreven hoe het beheer wordt vorm gegeven. Het betreft exploitatielasten (met name energiekosten), publieke taak (o.a. beleidsontwikkeling), kort cyclisch onderhoud (dagelijks beheer en onderhoud) en lang cyclisch onderhoud (met name vervangingen).


6.2 Het beheer

Het beheer en onderhoud zijn afgestemd op het genoemde beleidskader. De gemeente is als wegbeheerder aansprakelijk voor schade aan de openbare verlichting, als deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Wettelijk is niet vastgelegd aan welke kwaliteit de openbare verlichting moet voldoen. Daarom is de “Richtlijn voor Openbare Verlichting (ROVL 2011)” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) richtinggevend. Afwijken kan, mits gemotiveerd. In het beleidsplan is aangegeven dat de gemeente ten aanzien van de lichtsterkte afwijkt van de ROVL. Toepassing zou leiden tot meer licht en tot meer energieverbruik.

Het onderhoud van de openbare verlichting wordt uitgevoerd door een extern bedrijf. Het contract omvat een periodieke controle op basis van klachtenregistratie, aan de hand waarvan kapotte lampen worden vervangen en andere kleine gebreken worden hersteld. Daarnaast zorgt dit bedrijf voor de noodzakelijke uitbreidingen en de instandhouding op de langere termijn. Het beheer en onderhoud van de openbare verlichting is een doorlopend proces, waarbij de gemeente samen met het externe bedrijf werkt aan verbetering van het rendement van de openbare verlichting.


6.3 Actuele ontwikkelingen

In 2017 is een vervangingsplan aan het gemeentebestuur voorgelegd, met als bijlage een uitvoeringsplan. De uitvoering is ook in 2017 gestart, in buurt De Ooi. Deze vervanging is inmiddels afgerond. In 2018 is de verlichting van de hoofdwegen vervangen. In de komende drie jaren zullen ook op andere locaties masten en armaturen worden vervangen.

De netbeheerder is verantwoordelijk voor het ondergronds netwerk, het zogenaamde gereguleerde domein. Hier hebben zich diverse malen storingen voor gedaan in 2015. De netbeheerder is hierop aangesproken in Achterhoeks verband. Deze problemen lijken te zijn verholpen. In 2018 hebben zich geen noemenswaardige problemen voorgedaan.

Landelijk wordt gewerkt aan een nieuwe richtlijn ten aanzien van de openbare verlichting. Deze zal vermoedelijk invloed hebben op de inrichting van de openbare verlichting. Deze ontwikkeling zal nauwlettend worden gevolgd.


6.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

De omvang van het openbare verlichtingsnet binnen de gemeente bedraagt ongeveer 2.500 lichtmasten. In Doesburg staan een kleine 300 masten langs achterpaden; deze zijn eigendom van Woonservice IJsselland. Minder dan 4% van het geheel bestaat uit klassieke verlichting (binnenstad).

Door de periodieke controle worden over het algemeen tijdig gebreken onderkend. Daarnaast is het beleid de afgelopen jaren gericht op het vervangen van de oude hoog vermogende armaturen door dimbare energiezuinige laag vermogende armaturen (veelal led). Het moment van in- en uitschakelen van de openbare verlichting wordt extern centraal geregeld. Dit betekent in de praktijk dat, wanneer de situatie daarom vraagt, de OV aan dan wel uit zal gaan.

Via de OV-kabel wordt een signaal meegezonden die zorgt voor de avond- en nachtschakeling. Voor Doesburg is de nachtschakeling ingesteld op 22.00 uur.  Uit oogpunt van (sociale) veiligheid is voor de nieuwe energiezuinige armaturen afgezien van een avond- en nachtschakeling. In het kader van energiebesparing/reductie CO2-uitstoot zal nagegaan worden of het wenselijk is deze situatie te handhaven.

Het energieverbruik is gedaald ondanks dat het aantal lichtmasten de laatste jaren is toegenomen. Dit is met name toe te schrijven aan het toenemende gebruik van energiezuinige armaturen. Dit resulteert in een afname van het gemiddelde energieverbruik per lichtpunt.

 

C. 7  Speelgelegenheid


7.1 Het beleidskader

Tot op heden wordt gewerkt met de door de gemeenteraad vastgestelde beheervisie (2007-2009) voor speelgelegenheden, waarin onder andere  verschillende onderhoudsniveaus zijn vastgesteld.

In 2017 heeft een evaluatie van het speelbeleid plaatsgevonden. De output is gebruikt voor het in 2018 vastgestelde beleidsplan. Met het vaststellen van het beleidsplan is ook besloten eerst een pilot uit te voeren met dit beleid. Naar aanleiding van de pilot zal waar nodig het beleidsplan aangepast worden en vervolgens zal het beheerplan worden opgesteld.

Het beleidskader is een vertaling van het geldende wet- en regelgeving op dit onderdeel. De belangrijkste zijn:

  • Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS)
  • NEN-EN 1176;
  • NEN-EN 1177.

Het WAS is in 1997 inwerking getreden en stelt eisen aan de producent en beheerder van speeltoestellen. De hoofdeis voor de beheerder luidt: de beheerder van een speeltoestel dient er voor te zorgen dat het toestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.


7.2 Het beheer

Het beheer en onderhoud dient te voldoen aan de door de raad vastgestelde beleidskaders, waaronder de genoemde wet- en regelgeving. Om daaraan te voldoen is het beheer als volgt vorm gegeven:

  • Publieke taak, bestaande uit onder andere: beleidsontwikkeling, advisering en procesmanagement;
  • Dagelijks onderhoud, bestaande uit onder andere: controleren op zichtbare gevaren, herstel vernielingen, bijhouden ondergronden en bijhouden gegevens in beheersoftware;
  • Kort cyclisch onderhoud, onder andere bestaande uit:
    • frequente inspectie van speeltoestellen, -aanleidingen en ondergronden, met vastlegging van de resultaten (in de beheersoftware) en - indien noodzakelijk - uitvoering van reparaties;
    • groot onderhoud: verven van toestellen en vervangen zand in zandbakken;
  • Lang cyclisch onderhoud, bestaande uit:
    • vervangen van toestellen, -aanleidingen en ondergronden.


7.3 Actuele ontwikkelingen

In 2018 is een nieuw beleidsplan opgesteld. Met het vaststellen van het beleidsplan is ook besloten eerst een pilot uit te voeren met dit beleid. Na aanleiding van de pilot zal waar nodig het beleidsplan aangepast worden. Vervolgens zal het beheerplan worden opgesteld.

7.4 Kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren

De gemeente verzorgt van 44 speelgelegenheden het beheer, onderhoud en vervanging. Het aantal toestellen op die speelgelegenheden bedraagt op dit moment 348 stuks.